Hulporganisaties moeten minder afhankelijk worden van subsidies. Als zij zelfstandiger werken, krijgen concurrentie en innovatie een kans.
De dagelijkse besturen van hulporganisaties zijn zenuwachtiger dan ooit. Onlangs lekte uit dat zij de evaluatieafspraken van de vorige subsidieperiode 2005-2008 niet of nauwelijks zijn nagekomen. Toch besliste het demissionaire kabinet om de subsidie (in het kader van Medefinancieringsprogramma II) te verlengen met vijf jaar. Dat besluit was controversieel en nu vrezen de hulpclubs, die meedingen om een deel van het geld, dat het subsidiekader tijdens de kabinetsformatie zal worden opengebroken. Die vrees is gerechtvaardigd. Het gaat om veel geld: 2,1 miljard euro voor de periode 2011-2015, dat al is toegezegd voordat er een nieuwe kabinet is.
De omvang van de financieringsstromen is zo groot dat het moeilijk is te spreken van 'onafhankelijke' partijen. Een groot deel van het geld gaat naar organisaties die voor maximaal 75 procent afhankelijk zijn van de subsidie. Deze '75 procents-limiet' is opgenomen om te voorkomen dat de organisaties te afhankelijk zouden worden van de regering, met andere woorden om hun onafhankelijkheid garanderen. Maar het idee dat onafhankelijkheid wordt gegarandeerd door deze limiet is een farce. Er is juist sprake van sterke verwevenheid van de overheid met hulpclubs.
Nederland is voor velen in de wereld een symbool van een open, veilige en transparante liberale democratie. Organisaties in het maatschappelijk middenveld, zoals een vrije pers, worden gekoesterd. Niet als gevolg van de waarden die we graag uitdragen, maar als fundamentele pilaren van onze liberale democratie. Dat betekent nog niet dat wij kranten subsidiëren. Dus ook 'pilaren' als hulporganisaties zouden zelfstandiger moeten kunnen werken. Hoe bereik je dat? Door eindelijk de slag te maken van hulp naar investeringen. De organisaties gaan dat alleen doen als zij met elkaar kunnen concurreren. Daarom zouden zij investeringsvoorstellen moeten indienen waarbij zij in twee tot vier jaar hun subsidieafhankelijkheid afbouwen naar 25 procent. Als hulpclubs minder afhankelijk worden van de staat krijgt innovatie een kans en behouden zij draagvlak. Daarnaast zouden ze werk moeten maken van duurzaamheid: ieder onwikkelingsproject moet binnen vijf tot zeven jaar zelfstandig kunnen worden voortgezet. Dat wordt nog een toer. Maar de tijd waarin wij experts opleidden om in 'de tropen' te dienen is voorbij. Laat iedereen die deze hervorming afwijst, beseffen dat het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking op het spel staat.